Een woningcorporatie die toekomstig onderhoud verwacht, kan fiscaal een onderhoudsvoorziening vormen. De Belastingdienst stelde in deze zaak dat dat alleen mag als er sprake is van een “piek” in de onderhoudskosten: het piekvereiste onderhoudsvoorziening. Maar geldt dat piekvereiste echt?
Samenvatting
Nee. Het gerechtshof oordeelt dat voor een fiscale onderhoudsvoorziening geen piekvereiste onderhoudsvoorziening geldt. Voor het vormen van een voorziening zijn de criteria uit het Baksteenarrest leidend: de uitgaven moeten hun oorsprong vinden in feiten van vóór de balansdatum, aan die periode zijn toe te rekenen en met een redelijke mate van zekerheid zullen plaatsvinden. Ook als onderhoudskosten zich gelijkmatig over de jaren verdelen, kan een voorziening mogelijk zijn.
De kernvraag: geldt een piekvereiste bij een onderhoudsvoorziening?
De inspecteur meende van wel: alleen wanneer onderhoudsuitgaven in een bepaald jaar duidelijk hoger zijn dan gemiddeld, zou een voorziening gerechtvaardigd zijn. De woningcorporatie vond dat onjuist en stapte naar de rechter.
Achtergrond: onderhoudsvoorziening in deze zaak
De woningcorporatie bezit ruim 33.000 verhuureenheden, verdeeld over ongeveer 600 complexen. In de aangifte vennootschapsbelasting 2016 nam zij een onderhoudsvoorziening op van € 143 miljoen. De inspecteur corrigeerde dit volledig.
Partijen spraken af:
Als géén piekvereiste geldt: de voorziening is € 54 miljoen.
Als wél een piekvereiste geldt: de voorziening is vrijwel nihil.
Met andere woorden: de hele zaak draaide om de vraag of het piekvereiste onderhoudsvoorziening überhaupt een voorwaarde is.
Standpunt van de inspecteur: zonder piek geen voorziening
Volgens de inspecteur mag je een onderhoudsvoorziening alleen vormen als onderhoudskosten niet “elk jaar ongeveer hetzelfde” zijn, maar juist pieken kennen. De inspecteur baseerde zich op een arrest van de Hoge Raad uit 1980 over de kostenegalisatiereserve. Daarin staat (kort gezegd) dat zo’n reserve bedoeld is voor onderhoud dat niet elk jaar tot uitgaven leidt en dat “relatief van enige betekenis” moet zijn.
De inspecteur trok die lijn door naar de onderhoudsvoorziening: geen piek, geen voorziening.
Oordeel van het hof: geen piekvereiste bij onderhoudsvoorziening
Het hof gaat daar niet in mee. De rechter stelt dat voor een fiscale onderhoudsvoorziening de regels uit het Baksteenarrest gelden, en dat daarin geen aanknopingspunt is voor een piekvereiste.
Volgens het Baksteenarrest mag je een voorziening vormen als:
de uitgaven hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden van vóór de balansdatum;
de uitgaven aan die periode kunnen worden toegerekend;
de uitgaven met een redelijke mate van zekerheid zullen plaatsvinden.
Dat betekent dat het piekvereiste onderhoudsvoorziening niet als extra eis bovenop deze drie voorwaarden kan worden geplakt.
Waarom het arrest uit 1980 niet beslissend is
Een belangrijk onderdeel van het oordeel is het onderscheid tussen een kostenegalisatiereserve en een voorziening:
Kostenegalisatiereserve
is fiscaal gezien eigen vermogen;
berust op een wettelijke regeling;
is bedoeld om kosten te egaliseren tussen jaren.
Voorziening
is fiscaal gezien vreemd vermogen;
berust op goed koopmansgebruik;
is bedoeld om kosten toe te rekenen aan het jaar waarin ze economisch “thuishoren”.
Omdat het om verschillende instrumenten gaat, kun je het “piekcriterium” uit de kostenegalisatiereserve niet zomaar toepassen op de onderhoudsvoorziening. Het hof benadrukt daarom: voor de voorziening gelden de Baksteencriteria, en daarmee is het piekvereiste onderhoudsvoorziening niet relevant.
Praktische betekenis: ook gelijkmatige onderhoudskosten kunnen voldoen
Een nuttig gevolg van dit oordeel is dat je niet eerst hoeft te bewijzen dat er een extreem “duur onderhoudsjaar” aankomt. Ook als onderhoudskosten redelijk gelijkmatig verdeeld zijn, kan er nog steeds ruimte zijn om een voorziening te vormen—zolang je voldoet aan:
oorsprong vóór balansdatum,
toerekening aan die periode,
redelijke zekerheid van toekomstige uitgaven.
Let op: cassatie is nog mogelijk
Het hof geeft aan dat de inspecteur tegen deze uitspraak cassatie kan instellen bij de Hoge Raad. Dat betekent dat het laatste woord nog niet per se gesproken is, maar op basis van deze uitspraak is de lijn helder: geen los piekvereiste bovenop het Baksteenarrest.
Bron
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2025:3707 | 23-12-2024